Brief Fleur Pierets aan Mathilde de Caters
Recent dook schrijver Fleur Pierets (onder andere bekend van het boek en de film Julian) op vraag van de gemeente Brecht in het levensverhaal van Mathilde de Caters. Met het project ‘ZIJ WAREN HIER’ gaat Fleur op zoek naar vergeten verhalen van vrouwen uit de lokale geschiedenis.
Lees hier de volledige brief.
Mathilde de Caters en de kerk die naast de andere stond.

Toen ik had beslist een verhaal te schrijven over Mathilde de Caters, ging ik eerst naar de kapel aan de Caterskapeldreef. Ik wilde haar niet eerst in woorden ontmoeten, maar in steen. Ik wandelde de dreef in en daar stond ze: klein en standvastig aan de rand van de heide, gebouwd tegenover het voormalige vliegveld van haar neef, de vliegtuigpionier Pierre.
Van daaruit reisde ik naar de Sint-Catharinakerk in ’s-Gravenwezel. Daar ligt een marmeren vloertegel vooraan in de kerk.
Het opschrift leest:
Ter eeuwige gedachtenisse van de Weledele Jongvrouw Mathilde M.C.G. de Caters, die gegeven heeft de vloer van deze kerk alsook de grond waar deze kerk op gebouwd is
(’s-Gravenwezel, 8 mei 1878)
Ze kreeg geen gedenksteen in de muur maar op de grond die zij schonk, in de vloer die zij betaalde. Wie de kerk binnenkomt loopt eroverheen, vaak zonder het te merken. Misschien is dat passend. Mathilde wordt niet herdacht als versiering, maar als fundament. Niet verheven boven de mensen, maar onder de voeten van de kerkgangers.
Haar naam ligt in steen, in archieven, in een kapel aan de rand van de heide, maar zelden in monden. En toch zit ze in de vanzelfsprekendheid waarmee men zegt dat iets “altijd al zo geweest is”. Een zinnetje waarvan ik denk dat ze het vaak heeft gehoord maar zelden heeft aanvaard.
Mathilde de Caters werd geboren in Gent, in 1814, als oudste dochter in een huis waar bezit en plicht samenvielen. Haar vader stierf toen ze vijf was; haar broertje nog eerder. Ze bleef alleen over, erfgename van een fortuin dat men in goud telde, maar dat ze in verantwoordelijkheid droeg. Het Kattenhof, met zijn fronton en zijn kater in steen, het park, de hoeven, de gronden die zich uitstrekten tot voorbij de grens. Ze waren van haar pachters, bedienden, kinderen, weduwen. Ze liet herstellen wat kapot was. Ze liet noteren wat misliep. Ze hield de sleutel.
Ze noemden haar sterk. Vierkant. Moeilijk. Ik lees die woorden en hoor hoe ze zijn uitgesproken.
Toen haar moeder stierf in 1855, begroef men haar zoals men iedereen begroef. Mathilde weigerde. Niet luid, niet opstandig, maar vast. Ze vroeg om haar moeder dichterbij te mogen houden, op haar grond, tot zij ook zelf zou sterven. Ze bood aan wat ze had: geld voor de kerk, geld voor de armen, brood voor wie honger had.
Ik beeld me in hoe ze de pastorie binnenging. Niet haastig. Ze had geleerd hoe ze een kamer kon betreden zonder plaats te verliezen. De pastoor - Mullens, zeggen de papieren - zat al. Zijn handen gevouwen, niet uit gebed maar uit gewoonte. Hij sprak Mathilde aan met beleefdheid die tegelijk afstand was.
“Juffrouw,” zal hij gezegd hebben, “de kerk kent haar orde.”
Ik beeld me in dat ze knikte. Dat ze even zweeg. Dat ze naar het raam keek, waar het licht in lange strepen viel. Dat ze dacht aan haar moeder, aan het graf.
Hij zal haar hebben uitgelegd dat giften niet kunnen worden aanvaard onder voorwaarden die het gezag aantasten. Ik beeld me in dat Mathilde toen iets deed wat hij niet verwachtte: dat ze niet smeekte, niet dreigde. Maar dat ze cijfers noemde. Dat ze bereid was bij te leggen. Nog vijfduizend. Nog meer, als het moest. Maar met dezelfde voorwaarden. Omdat ze wist dat het niet over geld ging.
Hij zal haar woorden gevaarlijk hebben genoemd. Beledigend, zelfs -niet voor God, maar voor zijn ambt. Hij zal hebben gesproken over eenheid, over verdeeldheid in een klein dorp, over precedent.
Ik beeld me in dat Mathilde opstond voordat het gesprek klaar was. Niet abrupt. Beslist. Dat ze zei dat haar geloof geen eigendom was dat beheerd moest worden. Dat ze geen kerk wilde ondermijnen, maar ook niet klein gehouden wilde worden omwille van de vrede. Dat ze de pastorie verliet zonder zegen.
Buiten stond de kerk. Onveranderlijk. Massief. En daarnaast: ruimte. Later zeiden ze dat het een ruzie was. Ik denk dat het een grens was. Want wat ze daarna deed, was niet uit wrok geboren. Ze bouwde. Vlakbij de parochiekerk. Bijna even groot. Dezelfde stijl. Dezelfde toren. Alsof ze zei: ik hoor hier ook. Het was 1863 en ze haalde een eigen geestelijke. Ze liet de zusters en de meisjes naar haar kapel gaan. Ze maakte zichtbaar wat men liever binnenskamers had gehouden.
Kort voor 1869 kreeg Mathilde een zwaar ongeluk. Haar koets kantelde maar zij bleef leven en liet een kapel bouwen aan de rand van de heide. In lokale overlevering en erfgoedbronnen wordt die kapel uitdrukkelijk omschreven als een dankkapel voor haar miraculeuze redding. Dankbaarheid, zeggen de verhalen. Ik denk ook: vastlegging. Een plek waar ze kon zeggen: hier ben ik gebleven. Hier heb ik geleefd. De kapel heeft oorlog gezien, dynamiet, herstel. Ze staat er nog. Bescheiden. Onverzettelijk. Ik was er net.
Ze liet een kostschool bouwen voor meisjes, toen onderwijs voor hen nog geen vanzelfsprekendheid was. Ze gaf uniformen, sluiers, zorg. Ze was paternalistisch, zeggen ze nu. Misschien. Maar ze was ook praktisch. Ze liet weduwen werken. Ze liet kinderen leren zolang het kon. Ze wist dat zorg in daden zit, niet in woorden.
Mathilde de Caters was een vrouw en dat was in haar tijd geen neutraal gegeven. Een rijke vrouw was verdacht. Een ongehuwde vrouw nog meer. Een vrouw die niet alleen bezat, maar ook besliste, onderhandelde, voorwaarden stelde en bouwde - die werd als afwijking gelezen. Vrouwen werden verdragen zolang ze zorgzaam waren zonder gezag op te eisen, zolang ze gaven zonder te vragen. Maar Mathilde deed meer dan dat: ze nam plaats, ze hield voet bij stuk, ze liet zich niet vertegenwoordigen door een echtgenoot, een pastoor of een voogd. En misschien is dat waarom men haar zelfs na haar dood niet met rust liet.
Ik las ergens dat ze haar graf openbraken en haar de je ringen van de vingers sneden. Alsof ze iets wilden terughalen wat hen bij leven was ontglipt. Niet alleen rijkdom, maar controle. Niet alleen juwelen, maar het bewijs dat haar macht uiteindelijk toch breekbaar was. Het is een gruwelijke gedachte, maar ook een veelzeggende: zelfs dode vrouwen die hun plaats hadden opgeëist, bleven bedreigend.
Ik schrijf dit verhaal omdat ik door steden reis en vrouwen zoek die bijna verdwenen zijn. Vrouwen die niet in schoolboeken staan, maar in de structuur van een plaats. Mathilde de Caters is er zo een. Ze hebben haar moeilijk genoemd omdat ze niet paste. Ze hebben haar streng genoemd omdat ze niet boog. Ze hebben haar vrijgevig genoemd wanneer het hen uitkwam, en veeleisend wanneer ze grenzen stelde.
Met eerbied en met verbeelding als brug, hoop ik dat dit verhaal een begin kan zijn tot het herschrijven van verhalen die eeuwenlang niet de onze waren.
Met liefde,
Fleur Pierets