Verwerking jong onkruid

In de tuin is onkruidgroei onvermijdelijk. In de moestuin is dit nog meer het geval dan in een volgroeide siertuin. Men ziet nogal eens dat in de moestuin het onkruid rijkelijk aanwezig is. Een gouden regel is echter om zoveel mogelijk te vermijden dat onkruid de kans krijgt om tot zaadvorming over te gaan. Voor je het beseft, ziet het de kans om zichzelf ter plaatse uit te zaaien. Als je dit op het allerlaatste moment toch nog net kan voorkomen, zit je wel met heel wat zaad dat de doorsnee tuinier bij het composteren niet kan neutraliseren omdat de temperatuur tijdens het composteringsproces onvoldoende stijgt. Door deze regel consequent toe te passen, zal je merken dat na enkele jaren en voor zover de import van onkruidzaad van buitenaf beperkt is, sterk zal verminderen, waardoor het tuinonderhoud een aanzienlijk stuk minder arbeidsintensief wordt. 

Onkruid pak ik al van in het begin aan. Dit heeft als voordeel dat de hoeveelheid te verwerken materiaal sterk beperkt wordt in volume, dat je geen problemen hebt met te neutraliseren onkruidzaden en ziektekiemen die ook onkruidplanten belagen. Tesamen met de groenten komt ook het onkruid op. De rijen markeer ik aan de uiteinden met een stokje. Om een goede kieming te bekomen dient de zaairij lichtjes aangedrukt te worden. Ik druk daarbij enkel de zaairij zelf aan en dus niet het volledige zaaibed. De grond tussen de zaairijtjes blijft zo mooi los liggen. Daardoor heb ik een goed overzicht waar de kiemplantjes van de groenten gaan bovenkomen. Van zodra de kiemplantjes hun kopje beginnen boven te steken, hak ik met de multifrees (firma Wolf) bij zonnig weer het zaaibed voorzichtig tussen de rijen. Hierdoor sterven al heel wat onkruidplantjes af. In de rijen wied ik meestal met de hand. Niet alleen bij de gewassen die in de rij dicht bij elkaar staan, zoals wortelen, maar ook deze die wat verder uit elkaar staan, zoals bijvoorbeeld uien. Dit doe ik als de onkruidplantjes nog maar een paar cm groot zijn. Meestal laat men de onkruidplantjes ofwel ter plaatse liggen of voort ze af naar de compostbak of wachtbak of wachthoop. Beide methoden hebben evenwel enkele nadelen. 

Afgelopen natte zomer was hakken en het ter plaatse laten liggen niet voldoende. Heel wat onkruid zag de kans om toch tot hergroei over te gaan. In het voorjaar of najaar is dit ook meer de regel dan uitzondering. Teelten die sterk belaagt worden door insecten, zoals wortelen, uien, sjalotten, prei en kolen teel ik noodgedwongen onder insectengaas. Aangezien het wegnemen van het gaas nogal tijdrovend is, loop ik daar niet graag het risico dat onkruidplantjes na het hakken of wieden hergroeien. Daar pas ik onderstaande methode veel strikter toe. Vanaf een bepaalt moment is hakken soms ook niet meer mogelijk. Bijvoorbeeld bij al sterk uitgeboste sjalotten of uien. Dit geldt evengoed bij de meeste andere groenten. In dit geval trek ik het onkruid dat nog de kop op steekt met de hand uit. Als ik het risico loop dat de groenten zelf mee worden losgetrokken door het uittrekken van stevig ontwikkelde onkruidplanten knip ik deze net onder de grond door met een snoeischaar. Dat bij het wieden af en toe een takje knapt, neem ik daar dan maar bij, ipv. het onkruid stilletjes zijn gang te laten gaan en zich te laten uitzaaien. 

Om het onkruid af te voeren naar de compostbak bevat het doorgaans wat teveel zand, zeker als de bodem vochtig is. Aangezien zand in de compostbak e.a. best zoveel mogelijk wordt vermeden, is dit niet zo aangewezen. De aarde van de plantjes schudden, is een mogelijkheid, maar vind ik onnodig arbeidsintensief en tijdrovend. 

Vandaar dat ik al enkele jaren met succes een andere methode toepas om van deze lastposten af te geraken, zonder enige vorm van risico op hergroei. Ik verzamel de uitgetrokken onkruidplantjes eerst in een emmer. Als deze vol is of klaar ben met wieden, maak ik met de hand of met een hak in het zaaibed tussen de rijen een klein ondiep putje. Daarbij laat ik nog wel minstens 5 cm vrije ruimte tot aan de rij. De jonge groenteplantjes mogen immers niet gehinderd worden in hun groei. Als diepte van het putje neem ik een 5 tot 8 cm. Dieper is minder aangewezen om een vlotte en goede vertering te bekomen. De aarde uit het putje schraap ik gewoon op het tuinpad (dit is bij mij een onbegroeide, niet verharde of met snippers bedekte bodem). De bodem van het putje maak ik min of meer horizontaal. Daarin leg ik de gewiede plantjes, die ik netjes verdeel over het putje, waarbij de bovenkant ongeveer horizontaal ligt. De lengte van het putje pas ik aan in functie van de hoeveelheid materiaal die ik moet wegwerken. Soms heb ik wat teveel materiaal om in één putje te verwerken. Dan is het handiger er twee te maken, kwestie van niet teveel zand ineens te moeten verslepen. De onkruidplantjes dek ik tot slot af met de aarde die uit het putje gekomen is. De laag zal wel iets minder dik zijn dan de putdiepte, aangezien een gedeelte langs de zijkanten gebruikt wordt voor het plaatselijk wat ophogen van het bodemoppervlak. Het aandrukken van het plantaardig materiaal of de afdeklaag is niet aangewezen. Na een maand zal je merken dat er van het plantaardig materiaal nog heel weinig te bespeuren valt. Als je wat grotere planten mee onderwerkt, kan het wel gebeuren dat de afdeklaag wat gaat openbarsten. In al de jaren dat ik dit toepas, is het mij nog niet voorgekomen dat het onkruid doorheen de afdeklaag groeide. Daarvoor is de groeikracht van de planten te klein. Een groot voordeel van deze manier van werken is dat je de onkruidplantjes op een erg efficiënte en snelle manier kan uittrekken. Meestal doe ik dit met beide handen tegelijkertijd, dit vergt natuurlijk wat extra concentratie, coördinatie. Daarbij grijp ik de onkruidplantje net onder het bodemoppervlak vast. Hierbij gaat er ook wat zand mee in de emmer. Wat in dit geval niet erg is, ik moet immers geen onkruidzaden of ziektekiemen vernietigen.

Bovenstaande tekst is geschreven voor "De Compostmeester", een driemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse Compostorganisatie vzw.