Hoe een woelvork gebruiken

Steek de tanden van de woelvork volledig en loodrecht in de grond. Trek vervolgens de woelvork naar je toe, waarbij je de voetsteun als spil gebruikt. Als je de woelvork ongeveer 45° gekanteld heb, schud je woelvork heen en weer, waarbij je de woelvork een bijkomende op een neergaande kantelbeweging laat maken rond het midden van de voetsteun. Hierdoor gaat de opgetilde aardkluit verder openbreken. Vervolgens steek je woelvork een 10 cm verder in de onbewerkte bodem in de grond en herhaal je voorgaande handeling. 

Als een eerste strook van het teeltbed zo losgewoeld is, begin je aan de tweede strook. Zorg er hierbij voor dat er tussen de twee stroken geen smalle strook onbewerkte bodem overblijft. Bij het bewerken van de bodem zal aan de onbewerkte kant van het teelbed de aarde met wat losgewoelde grond overdekt worden. Zo lijkt het alsof een 10-tal cm aarde meer losgemaakt is dan werkelijk het geval is. 

Bij een niet aangetrapte of vastgeregende bodem kan zo één bewerking volstaan (behalve voor de wortelgewassen). Is de bodem na een eerste bewerking onvoldoende verkruimeld, dan kan je de bodem best op dezelfde manier een tweede beurt geven waarbij de werkrichting loodrecht staat op de eerste. Hierbij trap je de losgemaakte bodem wel wat terug aan. Maar ook de grotere aardkluiten kan je hierbij vertrappelen. 

Maak er een goede gewoonte van om de woelvork na elk gebruik netjes te reinigen door met een vod er alle zand af te vegen. Zo vermijd je dat deze gaat roesten. Met geroest materiaal is het moeilijker werken en goed onderhouden materiaal heeft een langere levensduur. 

Voor je gaat zaaien kan je best de bovenste paar cm verder verkruimelen. Hierdoor komt het zaad beter in contact met de (vochtige) aarde. Dit kan bijvoorbeeld op een gemakkelijke manier met een multifrees.